Hieronder staan ingredienten uit de Indonesische keuken uitgelegd. Met dank aan Lonny Gerungan.

Asem (tamarinde)



Asem (tamarinde, asam) is het vlees van de langwerpige tamarindevrucht, dan vanwege zijn lichtzure smaak en zijn conserverende eigenschappen in tal van gerechten wordt gebruikt. Van met suiker gekookte tamarinde wordt snoep gemaakt. De scheuten en het jonge blad van de tamarindeboom, die vooral op Java voorkomt en wel vijfentwintig meter hoog kan worden, worden rauw gegeten en daarbij gedipt in sambal.

Bawang merah (sjalot)



BAWANG MERAH(sjalot, ui, bawang merah) is een uiensoort die voorkomt in een rode en witte variëteit. De rode wordt vooral gebruikt als ingrediënt in tal van vlees-, vis- en kipgerechten. De witte (bawang acar) vooral bij de bereiding van tafelzuur en acar.

Bawang putih (Knoflook)



BAWANG PUTIH (Knoflook) is de gedroogde bol van allium sativum, een laagblijvend kruid dat tussen 30 en 60 centimeter hoog wordt en een blad dat te vergelijken is met dat van de preiplant. Knoflook behoort tot de familie van de ui en de prei. De bol bestaat uit zes tot zestien teentjes.

Daun Jeruk (blad van citrusachtige struik)



DAUN JERUK is het blad van een citrusachtige struik, die de jeruk purut of jeruk limo levert. Het blad is goed herkenbaar. Aan elk blad zit in de lengterichting een tweede blad waardoor het de vorm heeft van een acht. Het blad van de jeruk geeft gerechten een frisse citroenachtige smaak. Bij visgerechten gaat daun jeruk een sterke visgeur en -smaak tegen. Het blad wordt flinterdun gesneden in 'sayur arap' verwerkt. In Nederland is daun jeruk vers en gedroogd verkrijgbaar.

Daun Kemangi (citroenbasilicum)

DAUN KEMANGI (citroenbasilicum) is een plant die in korte tijd uitgroeit tot een hoogte van ongeveer 1 meter. De kemangiplant verspreidt een sterke citroengeur en houdt hiermee insecten op afstand. Na de bloei van de kemangi ontstaan er zaadjes, waarvan de vruchtwand wordt gebruikt om limonades en zoete vruchtensappen een zuur-frisse smaak te geven. Kemangiblaadjes worden gebruikt om vis en vlees op smaak te brengen. Ook worden ze verwerkt in sayur en lalab.

Daun Salam (Indoneschische laurier)



DAUN SALAM is het blad van de salam, een tropische boom die wel 25 meter hoog kan worden en vanwege zijn uiterlijke overeenkomst met laurier ook vaak “Indonesische laurier” wordt genoemd. Maar de citroenachtige smaak van het blad (daun salam) lijkt niet op die van het laurierblad. Salamblaadjes worden gekneusd en daarna meegetrokken in verschillende gerechten. De ovale salamblaadjes zijn vers, diepgevroren en gedroogd te koop.

Durian

DURIAN is de vrucht van de Durio zibethinus, een boom die zo'n 40 meter hoog wordt. De vruchten worden vanwege de onwelriekende penetrante geur ook wel 'stinkvruchten' genoemd. Ze zijn groot van formaat en hebben stevige, scherpe stekels. Aziaten zijn dol op de durian, westerlingen mijden hem vanwege de doordringende geur.

Hierdoor is het meestal niet toegestaan de durian mee te nemen naar de hotelkamer of bus, trein of vliegtuig. Smaak en geur van de durian komen niet met elkaar overeen. Het gelig-witte romige vruchtvlees heeft een vanilleachtige smaak. De onrijpe zaden/pitten van de rijpe vruchten worden gedroogd, vervolgens in dunne plakjes gesneden en als 'kripik' bereid. De schil dient als brandstof voor de barbecue, waarop vis wordt geroosterd. De vis krijgt op deze manier een aparte pittige smaak.

Gula Aren (palmsuiker)

GULA AREN, palmsuiker, wordt bereid uit het sap van de aren- of suikerpalm.

Gula Bali (palm/rietsuiker)

GULA BALI (of gula Jawa) is een combinatie van palmsuiker (gula aren of gula merah) en rietsuiker (gula tebu), zoals deze in Indonesië worden gemaakt. Gula aren wordt bereid uit het sap dat wordt opgevangen uit de dikke vezelige bloemstengels van de arenpalm of de suikerpalm. Dat is een reuzenpalm die wel dertig meter hoog kan worden en in heel Indonesië voorkomt. De winning van het arensap is nogal intensief. Daarvoor wordt de steel van de mannelijke bloem (veel kampongbewoners houden bij hoog en laag vol dat dit niet de mannelijke, maar de vrouwelijke bloem is) op het moment dat de knop zal openspringen drie dagen gekneusd. Dat gebeurt door regelmatig met een stuk hout of stok tegen de stengel te kloppen en deze heen en weer te wringen. Op de beschadigde plek van de stengel vormt zich het sap. De stengel wordt vervolgens aan een van de bladstelen vastgebonden en de tros bloemen eraf gesneden. Het snijvlak van de afgesneden stengel wordt met een doekje of een blad met daarin een speciaal mengsel van witte uien ingepakt. De toevoer van arensap wordt hierdoor geactiveerd. Als het vloeien van het sap goed op gang is gekomen wordt het doekje met het uienpapje eraf gehaald en het snijvlak schoongemaakt. Er wordt nu een bamboekoker onder gehangen, waarin het druppelende arensap wordt opgevangen.

Jahe (gember)



JAHE, gember is een meerjarige plant, waarvan de kruipende wortelstokken een belangrijk ingrediënt zijn in de Indonesische keuken. De plant komt overal in Azië voor en ziet men in Indonesië zelfs ook nog vaak in de vrije natuur. Gember is in Indonesië bekend in twee variëteiten: de lichtgekleurde jahe, die het meest wordt gezien en ook het meest wordt gebruikt in de keuken en de jahe merah (op Java ook wel sunti genoemd) die donker-paarsrood is. De wortelstok van de jahe merah is in de regel wat krachtiger ontwikkeld. Uit de gemberplant ontspruit een rietachtige stengel met een smal groen blad. Komt de jahe in bloei dan geeft de plant witte, gele of paarsgele bloemen. Deze bloemen worden in Azië veelal verwerkt in boeketten. Voor gebruik in de keuken zijn alleen de wortelstokken van belang. Deze worden in plakjes gesneden en/of geraspt in tal van gerechten verwerkt. Gember heeft de eigenschap het aroma van andere ingrediënten te versterken.

Jeruk limo (citroen)



JERUK LIMO (tutacege) is de vrucht van een Aziatische plant die nauw verwant is aan de citroen. In Indonesië groeien tal van citroensoorten. De ene is wat groter dan de andere. Ook de mate van zuurheid varieert van soort tot soort. De meeste jeruksoorten zijn oorspronkelijk afkomstig uit China en worden nu verspreid over heel Zuidoost-Azië aangetroffen. De jeruk limo is de vrucht van een lage boom of boomheester, die tussen de twee en zeven meter hoog kan worden en is een familielid van “onze” citroen. In de regel worden de vruchten geplukt als ze nog groen en dus nog niet rijp zijn. Het sap van de jeruk limo heeft dan de zure smaak die ideaal is voor de bereiding van sambals. Om een gerecht een sterke citroensmaak te geven kan de schil van de jeruk limo, die in Indonesië ook wel jeruk purut wordt genoemd, worden meegekookt of - gestoofd. In Nederland is de jeruk limo nu vrij goed verkrijgbaar, ze worden in toko’s en supermarkten steeds vaker aangetroffen. Is de vrucht niet te koop dan kan het sap van de wat grotere limoen of citroen in de keuken worden gebruikt. Omdat het sap van deze vruchten minder zuur en minder sterk is dan dat van de jeruk limo, is het aan te raden een wat grotere hoeveelheid te gebruiken (zie ook: daun jeruk).

Jinten (komijn)

JINTEN is het zaad van een eenjarige plant die ongeveer 30 cm hoog kan worden. Deze komijnplant is oorspronkelijk uit Egypte. Er zijn twee soorten komijn: een soort met lichtbruine of groenachtige zaden en een donkere met lange bruine zaden. Jinten vormt een onderdeel van vele kerriesoorten. In Nederland wordt het zaad verwerkt in Goudse en Leidse kaas. Jinten wordt aangeboden in gedroogde vorm als zaadjes en gemalen als poeder.

Kacang panjang (kousenband)

KACANG PANJANG (kousenband, vigna sinensis) lijkt veel op lange sperziebonen. Kousenband smaakt echter wat pittiger. Lange tijd werd kousenband in ons land vervangen door sperziebonen, maar sinds de groente ook hier wordt verbouwd, is deze overal verkrijgbaar. In Indonesië is de kacang panjang soms wel een meter lang, in ons land 25-30 centimeter. Kacang pandang wordt schoongemaakt als sperziebonen en voor verwerking in een gerecht in stukjes gesneden.

Kecap (ketjap)

KECAP is een saus die van sojabonen wordt gemaakt. Er zijn drie soorten: kecap manis, kecap asin en kecap sedang. Kecap manis wordt in de Indonesische keuken het meest gebruikt. Deze kecap is gezoet en dikker en stroperiger dan de andere twee soorten. Kecap asin is zoute kecap, terwijl kecap sedang slechts mild gezoet is. Deze laatste soort wordt niet zo vaak verwerkt. Kecap wordt bij de bereiding van de gerechten gebruikt, maar kan er ook later aan worden toegevoegd. Kecap asin kan in de Indonesische keuken ook dienen als vervanger van zout. Dit geeft het gerecht vaak de typisch Indonesische smaak.

Kemirinoot



KEMIRINOOT (candlenut) is de blanke bijna crèmeachtige vrucht of het zaad van de kemiriboom. De noten, die zeer oliehoudend zijn, hebben de vorm van hazelnoten en kikkererwten. Ze zijn echter groter. De noten hebben een keiharde bolster en het vruchtvlees kan alleen met grote kracht uit de schil worden verwijderd. Daarom worden kemirinoten in het algemeen gepeld verkocht. Voordat deze noten worden fijngemaakt, om te worden toegevoegd aan een gerecht, moeten ze even worden gepoft of gebakken. De gepelde kemirinoten bederven erg snel en moeten daarom luchtdicht worden bewaard. Kemirinoten worden ook fijngemalen en als pasta aangeboden.

Kencur (gemberachtige)



KENCUR is een kleine stengelloze bodembedekker met sterk vertakte korte wortelstokken en vaak knolletjes en bolletjes dragende geelwitte wortels. Kencur behoort tot de gemberachtigen. De wortelstok, die gerechten een pittige smaak geeft, wordt in plakjes of geraspt gebruikt. In Indonesië wordt het jonge blad van sommige kencursoorten ook als groente bereid. Kencur wordt vers en in poedervorm verkocht.

Ketumbar (koriander)

KETUMBAR kennen we in Nederland beter als koriander. Ketumbar of koriander is het zaad van een struikachtige plant, die oorspronkelijk niet uit Indonesië afkomstig is, maar uit Zuid-Europa. Ketumbar wordt in Indonesië dan ook geteeld en ondanks het feit dat het geen inheemse plant is, is het wel een kruid dat in Indonesische keuken een vaste plaats heeft gekregen en hieruit ook niet meer is weg te denken. De versgeoogste korianderzaadjes worden gedroogd en geheel of gemalen aangeboden. De gemalen en daarna gezeefde zaden worden in Indonesië in verschillende dranken verwerkt. Ketumbar heeft een enigszins fruitig-zoete smak en vormt een uitstekende combinatie met andere kruiden . Een bekende combinatie vormt ketumbar met jinten. Niet alleen de zaden van de ketumbar-plant worden in de keuken gebruikt, maar ook soms het blad. Korianderblad ziet er uit als peterselie en wordt daarom ook wel “Chinese peterselie” genoemd. Het blad kan ook als vervanger van peterselie dienen. Het aroma van het ketumbarblad is echter een stuk frisser dan van peterselie, is veel sterker en blijft langer smaak behouden.

Kunyit (geelwortel)



KUNYIT (kurkurma, geelwortel) behoort tot de familie van de gember. Het is een sterke plant met vlezige, vertakte wortelstokken. De bladeren van de plant zijn dun en kunnen wel een meter kang worden. De jonge, malse scheuten worden als groente gegeten. In Indonesië wordt geelwortel vooral gebruikt om witte rijst geel te kleuren. Deze gele rijst wordt in Indonesië bij feestelijke gebeurtenissen gegeten. Kunyit wordt eerst dungeschild en dan aan de rijst toegevoegd en meegekookt. De wortel wordt dan verwijderd. Geelwortel wordt vers, diepgevroren en in poedervorm aangeboden.

Laos (familie van de gember)



LAOS (galanga) is familie van de gember. Er zijn twee soorten laos: grote en kleine. De grote laos is in Indonesië bekend. De wortels met een sterke kruidige smaak, zijn bedekt met knobbels. Ze zijn roodbruin van kleur en vanbinnen lichtgeel of wit. De kleine laoswortel komt in China voor. De wortelstok van de laos geeft een kruidigscherpe smaak aan het gerecht waarin het wordt verwerkt. Laos moet voor gebruik eerst ragfijn worden geschild. Daarna wordt de geschilde wortelstok in schijfjes gesneden die geheel of geraspt in gerechten worden verwerkt. Laos wordt vers, diepgevroren en in poedervorm aangeboden. Laospoeder heeft veel van zijn oorspronkelijke smaak verloren

Lombok (gedroogde spaanse peper)



Zie 'rawit'.

Petis udang

Garnalenpasta. Zie 'trasi'.

Rawit (gedroogde spaanse peper,kleiner en scherper dan lombok)



RAWIT en lombok worden beide Spaanse peper genoemd en dat zegt heel veel over de oorspronkelijke herkomst. De lombok en de rawit stammen namelijk niet uit Indonesië en zelfs niet uit Azië zoals veel mensen denken. De Spaanse pepers werden vier eeuwen geleden door de Spanjaarden en Portugezen in Indonesië geïntroduceerd. Tot dan gebruikte de inheemse bevolking in de “Gordel van Smaragd” zwarte peper om het voedsel te kruiden. De rawit komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. Hij werd door de Spanjaarden en Portugezen mee naar Indonesië genomen om deze te ruilen voor de peper die in Europa goud waard was. Het gebruik van zwarte peper werd al snel teruggedrongen door de nu erg populaire en inmiddels onmisbaar geworden rawit. In Indonesië heeft men de vele toepassingen van de rawit belangrijk uitgebreid en daar zijn ook tal van andere variëteiten geteeld. Algemeen bekend zijn de groene en de rode rawit. Ze zijn klein en nogal pedis (heet). De groene rawit is in feite niet rijp, de rode wel. Wordt de groene rawit niet geplukt, dan wordt hij uiteindelijk door de zon roodgekleurd. De laatste jaren zie we op de pasars ook een zogenoemde mini-rawit. Ook deze geeft een tamelijk hete smaak aan het gerecht. Het verschil tussen de rawit en de lombok is niet alleen het formaat, maar ook de smaak. De lombok is groter en milder. De Spaanse peper is een onmisbaar ingrediënt bij de bereiding van sambal.

Spaanse pepers veroorzaken een prikkelend heet gevoel in de mond, hetgeen wordt veroorzaakt door capsaïcine. Deze stof prikkelt de zenuwen die ook alarm slaan bij hittevorming hetgeen een branderig gevoel in de mond, tranende ogen en een loopneus veroorzaakt. Capsaïcine veroorzaakt irritaties wanneer men bij gebruik in de keuken onverwacht in de ogen wrijft of deze stof in aanraking komt met open wondjes. Capsaïcine is heel moeilijk met water te verwijderen. Gewoon handenwassen is vaak niet voldoende. Wrijf daarom de handen vóór het gebruik van Spaanse pepers in met een beetje (sla) olie.

Santen (kokosmelk)

SANTEN of kokosmelk. Dit wordt bereid van geraspt vers of gedroogd kokos dat in lauw water wordt geweekt. Het vocht wordt afgegoten (en opgevangen) waarbij het kokos goed wordt uitgeknepen. Santen is dus niet het water van de kokosnoot.

Santen asli (dikke santen)

SANTEN ASLI of dikke santen. Voor 2 ½ dl

  • Rasp het vruchtvlees van 1 kokosnoot, vermeng het met 2 ½ dl lauw water en laat het 15 minuten staan.
  • Kneed het geweekte kokos in het water en giet het door een fijne zeef die boven op een pan wordt gezet. Pers daarbij het kokos in de hand boven de zeef uit.

Sereh (citroengras)



SEREH (citroengras) is een geurig kruid dat net zoals citronella- en lemoengras een soort eetbaar gras is. Het behoort echter in het geheel niet tot de familie van grassen. Sereh lijkt er alleen maar op. Het groeit als een dichte en vrij hoge pol meestal op erven en in de desa’s. Sereh is een inheemse plant die in Indonesië nog altijd erg veel in het wild voorkomt en de door de bevolking vaak wordt uitgegraven om op eigen erf te herplanten. De witte tot lichtgroene serehstengels (ze mogen ook sprieten worden genoemd) hebben een lengte van een eet- of satehstokje en geven een citroen- of limoenachtige en geur af. Deze serehstengel worden toegevoegd aan soepen, vis- en vleesgerechten en aan marinades om de smaak te verfrissen en te verrijken. Meestal worden de smalle lichtgroene blaadjes (het uiteinden van de stengels) een beetje gekneusd, zodat de sappen en geuren vrij komen, en dan aan het desbetreffende gerecht toegevoegd om vervolgens vlak voor het opdienen weer te worden verwijderd. Om de sereh gemakkelijk uit de wajan of pan te kunnen halen worden de lange stengels samen in een knoop gelegd. Het zachte groene binnenblad van de sereh kan worden fijngesneden en gesnipperd aan een gerecht worden toegevoegd en zonder problemen worden meegegeten. Voor marinades wordt in de regel aangeraden sereh samen met andere kruiden fijn te wrijven en verpulverd aan de massa toe te voegen. De citroen- of limoensmaak van de sereh is in heel veel marinades dan ook heelduidelijk terug te vinden. Sereh wordt ook in gedroogde vorm als poeder aangeboden. Wanneer in gerechten of marinades poeder in plaats van verse sereh wordt gebruikt beïnvloedt dat op een negatieve manier de smaak. Verse sereh is kruidiger en frisser. Bij het drogen en malen van sereh gaat het overgrote deel van het typische aroma van dit kruid verloren. Is verse sereh niet verkrijgbaar, dan verdient sereh uit de diepvries de voorkeur. Sereh kan zonder aanzienlijk veel smaakverlies goed ingevroren worden bewaard.

Taugé (net ontkiemde spruiten van sojabonen)



TAUGE zijn de net ontkiemde spruiten van de sojabonen. Ook de net ontkiemde spruiten van de mungboon worden taugé genoemd.

Trasi (pasta van kleine garnalen)

TRASI is een ingrediënt dat erg typerend is voor de Indonesische keuken. Het is een pasta die wordt gemaakt door kleine garnalen fijn te stampen of te malen, er zout aan toe te voegen en ze te laten fermenteren. Het product dat hierdoor ontstaat, wordt vervolgens in blokken geperst. Door het gisten heeft trasi een doordringende geur gekregen. Deze sterke geur verdwijnt voor een groot deel zodra de trasi wordt gebakken of geroosterd (trasi bakar). Net zoals de geur is ook de smaak van trasi erg nadrukkelijk en doordringend. Het is een smaakmaker voor veel gerechten. Als trasi met mate (volgens de receptbeschrijvingen) wordt gebruikt, verdwijnt de sterke smaak, maar geeft de pasta het gerecht wel het eigen Indonesische aroma. De trasi die in Nederland in toko’s en supermarkten wordt verkocht, is meestal al voorgebakken of geroosterd, waardoor de indringende vislucht al voor een belangrijk deel is weggenomen.